2.2 Pedagogisch en didactisch klimaat     

 

2.2.1 Pedagogisch klimaat

Voor een goed pedagogisch klimaat is het belangrijk dat kinderen inzicht krijgen in hun eigen doen en laten. Daarvoor maken we gebruik van de methode Goed Gedaan, een methode die erop is gericht om sociaal-emotionele vaardigheden te ontwikkelen. Goed Gedaan brengt in die ontwikkeling structuur aan die we zorgvuldig hebben geïmplementeerd in bestaande afspraken, regels en protocollen die hieronder staan beschreven.

Deze gegevens worden in het digitale leerlingvolgsysteem ParnasSys genoteerd. Naast het noteren van prestatiegegevens (zie didactisch klimaat 2.2.2) wordt per leerling de ontwikkeling op het sociaal emotionele vlak beschreven. Zaken als zelfvertrouwen, zelfstandigheid, sociale contacten komen zo gedateerd in ParnasSys te staan. Ook problemen in de groep, veranderingen in de thuissituatie, gesprekken en afspraken met ouders worden in ParnasSys genoteerd. Naast het beschrijven van de situatie geven we aan hoe we als leerkracht hebben gereageerd en welke oplossingen we hebben aangedragen.

N.B. Door de implementatie van het administratiesysteem ParnasSys, zitten we momenteel in een overgangsfase. Het is de bedoeling dat geleidelijk aan alle informatie in ParnasSys komt te staan en dat deze informatie ook is in te zien voor ouders/verzorgers. In het schooljaar 2013-2014 werd het ouderportaal van ParnasSys voor het eerst opengezet zodat ouders/verzorgers al inzage hebben in de toetsgegevens en observaties betreffende de ontwikkeling van hun kinderen.

Deze pedagogische beschrijving geeft gedurende het schooljaar een steeds beter beeld van kinderen. We kunnen in één oogopslag zien of problemen een terugkerend beeld laten zien en of onze oplossingsstrategieën geholpen hebben.  Anderzijds vormt de pedagogische beschrijving vaak de leidraad voor het oudergesprek en de basis voor het betreffende gedeelte van het rapport. 

In de klas wordt veel aandacht besteed aan het hooghouden van een goed pedagogisch klimaat. Aan het begin van het schooljaar worden er samen met de leerlingen afspraken omtrent gedragsverwachting gemaakt. Onze gezamenlijke visie omtrent gedragsverwachting vormt het uitgangspunt voor ons beleid met betrekking tot gedrag en veiligheid in onze school. De vier V's van Vertrouwen, Veiligheid, Vriendelijkheid en Verantwoordelijkheid vormen de kapstok voor de positief geformuleerde leer- en leefregels. Hierbij ligt de nadruk op de persoonlijke interesse van de leerling, op preventie van 'probleemgedrag' en op het benadrukken van pro-sociaal gedrag. In het schoolveiligheidsplan vindt u de volledige versie van dit beleid. Dit plan is als papieren exemplaar in te zien. Het is belangrijk dat de regels die te maken hebben met 'hoe ga je met elkaar om', respect voor elkaar en omgaan met verschillen die er nu eenmaal bestaan, als een rode draad door de school lopen. Zo weten de leerlingen waar ze aan toe zijn en worden ze niet elk schooljaar geconfronteerd met nieuwe regels. Ook stimuleren we kinderen om eventuele problemen bespreekbaar te maken. Dat kan alleen maar als er een goed vertrouwen bestaat tussen leerlingen onderling en de leerlingen en de leerkracht. Gedurende het schooljaar worden er in de klas regelmatig klassengesprekken gehouden waarin gerezen problemen worden uitgepraat of een aantal zaken  preventief aan de orde wordt gesteld. We proberen daarbij de kinderen een zodanig normbesef aan te leren,dat het goed omgaan met elkaar niet wordt opgelegd door de leerkracht, maar vanuit de kinderen zélf een vanzelfsprekendheid is.
Problemen van grotere omvang of bepaalde pedagogische items die op een bepaald moment actueel zijn, kunnen onder leiding van het zorgteam worden besproken in een leerlingbespreking. Tijdens deze vergaderingen proberen we met het team oplossingen te bedenken voor problemen die zijn gerezen. 
Om de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen in kaart te brengen, wordt gebruik gemaakt het programma Zien! Elke leerkracht vult voor de leerlingen twee keer per jaar de webbased  screeningslijst in.  ZIEN! hanteert zeven dimensies. Twee graadmeters, welbevinden en betrokkenheid, die een signaalfunctie hebben en vijf vaardigheidsdimensies die relevante informatie geven over de ontwikkelbehoeften van een leerling op sociaal-emotioneel gebied: sociaal initiatief; sociale flexibiliteit; sociale autonomie; impulsbeheersing en inlevingsvermogen.
Bij kleine problemen zijn er materialen waaruit de leerkracht kan putten om hier in de groep mee aan de slag te gaan. Bij grotere problemen wordt de intern begeleider en of een van onze gedragsspecialisten ingeschakeld, die middels gesprekken met de kinderen en ouders, probeert te achterhalen waar de oorzaak van het probleem ligt. Indien nodig wordt in overleg met de leerling, de ouders en de leerkracht, een plan van aanpak gemaakt door de intern begeleider of de gedragsspecialist.  
Het thema 'gedrag' blijft ook in het schooljaar 2016-2017 een speerpunt binnen de ontwikkelingsprocessen op onze school.
 

2.2.2 Didactisch klimaat


De (extra) ondersteuning in de groep:
In de groepen 1-2 wordt in de registratiemap per leerling een lijst bijgehouden vanuit het observatie- en registratie instrument KIJK! Op deze lijst staan alle ontwikkelingslijnen beschreven met de daarbij behorende vaardigheden op chronologische volgorde van leeftijd.   Het gaat hier om een groot aantal items die staan genoteerd en vallen onder de categorieën: motorische ontwikkeling, verstandelijke ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling,  taal- en rekenontwikkeling en expressieve ontwikkeling. De tekenontwikkeling wordt gevolgd door de menstekeningen die door de kinderen worden gemaakt. Deze bevinden zich ook in de map. Door aan te geven welke items inmiddels worden beheerst, wordt de didactische ontwikkeling gevolgd daarbij kijkend naar leeftijd van het kind. Alle observaties worden in het digitale programma van KIJK! verwerkt. Twee keer per jaar wordt er tijdens het registratiemoment vastgesteld waar de leerling zich bevindt binnen de ontwikkelingslijnen. Opvallende zaken worden besproken met ouders.  

De leerkrachten van de groepen 1/2 tot en met 8 werken met groepsplannen voor de methodes Rekenen, Spelling en technisch lezen.  In deze groepsplannen staat het handelingsgericht werken centraal (zie ook HGW 1.3.10) waarbij er op drie niveau's wordt gewerkt. Dit geldt voor de meeste leerlingen . Uiteraard zijn er ook leerlingen die daarnaast nog extra ondersteuning nodig hebben. Onze methodes bieden na elk leerstofblok een toetsmoment. De resultaten worden per vakgebied genoteerd in ParnasSys. Ook ouders kunnen deze toetsresultaten via het ouderportaal bekijken. Naar aanleiding van de resultaten wordt er gekeken welke kinderen bij welke onderdelen extra herhaling nodig hebben of welke kinderen zich kunnen richten op de verrijkingsstof. Uiteraard wordt dit allemaal vastgelegd. Door deze manier van registreren krijgen we per kind niet alleen een goed overzicht van welke leerstofproblemen regelmatig terugkeren, maar kunnen we ook adequaat hulp bieden. In elke klas staat een instructietafel die wordt gebruikt voor extra ondersteuning aan individuele leerling of aan kleine groepjes kinderen. We vinden het bovendien een groot voordeel dat de normering klassenoverstijgend wordt toegepast. Omdat de norm duidelijk is, krijg je een beeld dat goed te vergelijken is met de andere leerjaren.

Het digitale leerlingvolgsystemen ParnasSys (zie 1.3.11) en KIJK ( zie 1.3.12) vormt de basis voor de verdere leerlingenzorg. Met de gegevens proberen we kinderen zo optimaal mogelijk te begeleiden. Ons uitgangspunt blijft daarbij het leerstofjaarklassensysteem. Binnen dit systeem bouwen we momenten in waarop differentiatie kan worden toegepast. Zo is er een aantal momenten per week waarop de leerlingen zelfstandig aan de slag gaan met de weektaak. Tijdens deze zogenaamde 'zelfstandige werkmomenten' krijgt de leerkracht de gelegenheid om extra aandacht te geven aan de leerlingen die deze zorg nodig hebben. Enkele jaren geleden hebben we voor een teamgerichte nascholing 'Onderwijs Op Maat' gekozen om deze ontwikkelingen verder uit te bouwen. Zie ook 1.3.10 Handelingsgericht werken.

Ondersteuning buiten de groep
Indien de leerkracht constateert dat de geboden hulp in de groep ontoereikend is voor een bepaalde leerling, wordt dit besproken met de intern begeleider van de betreffende bouw en het zorgteam. 
Na overleg met de betrokken ouders zal de IB'er indien noodzakelijk voor uw kind een plan van aanpak bespreken.

Verder kan de IB'er:

  • de leerkracht handreikingen bieden om met het probleem binnen de groep aan de slag te gaan;
  • de groep ingaan om de betreffende leerling te observeren;
  • een of meerdere gesprekken met de leerling voeren;
  • de leerkracht vragen om een signaleringsformulier in te vullen om op die manier een nadere omschrijving van de problematiek te geven, hetgeen vervolgens bij de leerling wordt onderzocht.

Leerlingen uit de groepen 1 en 2 kunnen extra ondersteund worden door deel te nemen aan het VVE programma. Deze ondersteuning wordt geboden door de onderwijsassistente Linda Smits. (Zie ook VVE). Als blijkt dat de leerling gebaat is bij hulp buiten de groep kunnen leerlingen uit de groepen 3 en 4 door de remedial teacher, Ineke van Elswijk, een of twee tijden per week extra worden begeleid. Het schooljaar is verdeeld in vier blokken van ongeveer acht weken per blok. De leerkracht heeft tijdens die periode een gesprek met Ineke over de interventies die door haar worden ingezet en hoe de leerkracht hierop binnen de klassenorganisatie aan kan sluiten. In principe is remedial teaching voor maximaal twee blokken. Dat is een half jaar. Per blok wordt er een afweging gemaakt op basis van rendement/resultaten en prioriteiten. Melanie Verhoeven draagt onder begeleiding van het zorgteam zorg voor de (extra) ondersteuning voor de leerlingen uit de groepen 1 tot en met 8 die voorheen een rugzakje hadden. Per 1 augustus 2014 is het rugzakje vervallen en is Passend onderwijs van kracht geworden. De ondersteuning voor deze leerlingen blijft echter bestaan. Met de komst van Passend Onderwijs mogen we op onze school twee consulenten verwelkomen. Dit zijn Sandra Peijnenburg en Inge Kools. Zij zullen twee dagen per week werkzaam zijn op onze school. Hun taak richt zich vooral op het adviseren van het zorgteam bij het in kaart brengen van de ondersteuning voor deze leerlingen en het ondersteunen van leerkrachten en intern begeleiders bij het uitvoeren van de ondersteuningsaanpak in de dagelijkse onderwijspraktijk. (Zie ook informatie van het SWV www.plein013.nl)
 


2.2.3 Externe begeleiding

In overleg met de leerkracht(en), de ouders en de IB'er (in samenspraak met het Hoofd Onderwijs en Zorg), kan voor een andere benaderingswijze gekozen worden.
In bepaalde gevallen zult u geadviseerd worden contact op te nemen met de GGD of het centrum voor jeugd en gezin om te beoordelen of aan de problemen, medische dan wel maatschappelijke oorzaken ten grondslag liggen. Ook bij leer- en of gedragsproblemen kan met uw toestemming expertise ingeschakeld worden van exterene deskundigen. Deskundigen kunnen bijvoorbeeld komen observeren, eventueel een psychologisch test, of intelligentietest afnemen of een schoolvorderingenonderzoek of dyslexieonderzoek doen. 
De bevindingen van dit onderzoek worden met u, de klassenleerkracht(en) en de intern begeleider besproken. Naar aanleiding van de uitslag van het onderzoek worden er over de vervolgstappen met betrekking tot de (extra) begeleiding samen met u en uw kind afspraken gemaakt.

Op bovenschools niveau
Als toch mocht blijken dat onze school niet de juiste ondersteuning aan uw kind kan bieden wordt er gekeken naar een passende plek op een school waar dit wel mogelijk is. (Zie passend onderwijs 2.) 
 

2.2.4 Beleid meer- en hoogbegaafde kinderen

Naast de zorg voor leerlingen die moeite hebben met de leerstof, bekommeren we ons ook om leerlingen die meer aankunnen dan de reguliere leerstof. Op school wordt standaard al veel verdiepingsstof aangeboden waarmee op niveau gewerkt kan worden. Daarnaast hebben we op onze school de plusgroep. (Zie Plusgroep). 
 

2.2.5 specialisten

Op onze school heeft een aantal teamleden zich bekwaamd tot specialist.  Zo kennen we op onze school:
  • Specialist Gedrag (3 teamleden)
  • Specialist Hoogbegaafdheid (1 teamlid)
  • Specialist Rekenen (1 teamlid)
  • Specialist Lezen en dyslexie (1 teamlid)
  • Specialist Taal/Lezen (1 teamlid)
  • Specialist ICT (1 teamlid)
  • Specialist Cultuur ( 2 teamleden)
  • Specialist Bewegen (1 teamlid)
 

De specialist is op zijn vakgebied de sturende kracht om bepaalde ontwikkelingen in gang te zetten of processen te bewaken.